Halverwege de zestiger jaren van de vorige eeuw verschijnt een aantal rapporten over de mogelijkheden voor ondergronds openbaar vervoer in Amsterdam. Burgemeester & Wethouders van Amsterdam stellen voor gefaseerd een metronet van 4 lijnen aan te leggen. De verwachting is dat het metronet rond de eeuwwisseling voltooid kan zijn. In een huis-aan-huis verspreide krant wordt het 'Plan Stadsspoor' aan de bevolking van Amsterdam gepresenteerd.
In 1968 neemt de gemeenteraad van Amsterdam het principebesluit tot aanleg van het voorgestelde metronet. Zie hiervoor het kaartje Metronet 1968. Men besluit tevens de lijnen naar Amsterdam Zuidoost als eerste aan te leggen in verband met de woningbouw in de Bijlmermeer.
Voor het metro materieel kiest men voor wagenstellen met een lengte van 2 x 37,5 m, geschikt voor een spanning van 750 Volt, stroomvoorziening met een derde rail en een wagenbreedte van 3,00 m. Het is een variant op het materieel dat voor Hamburg en München is gebouwd. Het materieel wordt besteld bij het Duitse 'Linke-Hofmann-Busch' (LHB).
Begin 1970 wordt een begin gemaakt met de bouw van het oostelijk deel van de Oost/Westlijn tussen Osdorp en de Bijlmermeer. Deze lijn krijgt later de naam Geinlijn. Bovendien wordt een aftakking aangelegd die bestaat uit een deel van een Ringlijn en een deel van de tweede Oost/Westlijn tussen Geuzenveld en Gaasperplas. Deze lijn krijgt later de naam Gaasperplaslijn.
In 1975 besluit de gemeenteraad van Amsterdam tot stopzetting van de bouw van nieuwe metrolijnen. De tunnel en de lijnen die in aanbouw zijn worden wel afgebouwd. Een eventuele lijn naar Amstelveen wordt niet onmogelijk gemaakt, hetgeen betekent dat alvast enkele viaducten worden gebouwd bij Spaklerweg en onder het zuidelijk deel van de ringweg.
Op 16 oktober 1977 worden beide metrolijnen in gebruik genomen: de Gaasperplaslijn tussen Weesperplein en Gaasperplas en de Geinlijn tussen Weesperplein en Holendrecht. Het LHB materieel is voorzien witte koersborden, waarvan vorm en uitvoering exact overeenkomen met de bestemmingsborden op de perrons.
Begin tachtiger jaren presenteren Burgemeester & Wethouders van Amsterdam de nota 'Sneltram'. Het concept van het metronet uit 1968 wordt grotendeels overgenomen, echter zonder de ondergrondse trajecten. De gemeenteraad van Amsterdam besluit op basis van deze nota tot de aanleg van sneltramlijnen in plaats van metrolijnen.
Op 13 oktober 1980 worden de Gaasperplaslijn en Geinlijn verlengd naar het Centraal Station. Op 28 augustus 1982 wordt de Geinlijn verlengd naar Gein.
In 1985 wordt voorgesteld de Amstelveenlijn als combinatie van een gewone tramlijn en sneltramlijn aan te leggen. In de speciale brochure 'Sneltram Amstelveen - een dubbel-rail voor de toekomst' wordt uitgelegd wat de voordelen zijn van een sneltram ten opzichte van een metro. In 1987 besluiten de gemeenteraden van Amsterdam en Amstelveen tot aanleg van deze Amstelveenlijn.
Voor het sneltram materieel kiest men voor wagenstellen met een lengte van 2 x 30,8 m, geschikt voor een spanning van 750 én 600 Volt, stroomvoorziening van een derde rail én bovenleiding en een wagenbreedte van 2,65 m.
Voor het tram materieel kiest men voor dubbelgelede twee-richting trams met een breedte van 2,40 m.
Het materieel wordt besteld bij het Belgische 'Brugeoise Nivelles' (BN).
Het sneltramtraject tussen halte De Boelelaan/VU en halte Poortwachter (later halte Westwijk) is alleen geschikt voor materieel met een breedte van 2,65 m.
Het resterende sneltramtraject tussen halte Station Zuid/WTC en het Centraal Station is ook geschikt voor materieel met een breedte van 3,00 m.
Het verschil in breedte tussen het brede en smalle traject wordt gecompenseerd met wegklapbare randen langs het gehele treinstel.
In 1987 wordt voorgesteld twee nieuwe sneltramlijnen aan te leggen.
De ene lijn tussen Sloterdijk en de Bijlmermeer op het dijklichaam van de (nooit gerealiseerde) ringspoorbaan.
En een andere lijn tussen het Centraal Station en Nieuw-Sloten.
In de speciale brochure 'Twee railprojecten in Amsterdam' wordt uitgelegd wat het belang is van deze twee lijnen voor wonen en werken in Amsterdam.
In 1989 worden voor de toekomstige sneltramlijnen (en de bestaande metrolijnen) alsnog lijnnummers en lijnkleuren vastgesteld.
Voor een uitleg van het systeem wordt verwezen naar de pagina De lijnkleuren van de sneltram- en metrolijnen.
Op 12 december 1990 wordt de eerste sneltramlijn, de Amstelveenlijn, in gebruik genomen als lijn 51. Ook de verlengde tramlijn 5 tussen Centraal Station en Amstelveen Binnenhof, die voor een groot deel met lijn 51 samenloopt, wordt op 12 december 1990 in gebruik genomen.
In 1992 besluit de gemeenteraad van Amsterdam tot de aanleg van de Ringlijn. In eerste instantie wordt gesproken van een sneltramlijn, maar nog voor de lijn gereed is blijkt dat deze wordt aangelegd als een volwaardige metrolijn. Hiermee wordt dus weer impliciet besloten tot uitbreiding van het metronet.
Voor het metro materieel kiest men voor wagenstellen met een lengte van 2 x 31 m, geschikt voor een spanning van 750 Volt, stroomvoorziening van een derde rail en een wagenbreedte van 2,65 m.
Vier wagenstellen zijn bedoeld om ook dienst te kunnen doen op de Amstelveenlijn, dus geschikt voor een spanning van 750 én 600 Volt, stroomvoorziening van een derde rail én bovenleiding.
Het materieel wordt besteld bij het Spaanse 'Construcciones y Auxiliar de Ferrocarriles' (CAF).
Het nieuwe metrotraject tussen station Henk Sneevlietweg en station Isolatorweg is alleen geschikt voor materieel met een breedte van 2,65 m.
Het resterende metrotraject tussen station Amstelveenseweg en Gein is ook geschikt voor materieel met een breedte van 3,00 m.
Het verschil in breedte tussen het brede en smalle traject wordt gecompenseerd door wegklapbare treden onder de deuren.
Op 1 juni 1997 wordt de Ringlijn in gebruik genomen als lijn 50.
De voorgestelde sneltramlijn naar Nieuw-Sloten komt er niet.
In plaats daarvan wordt voor een nieuw tracé gekozen door tramlijn 1 te verlengen.
Tegelijk met de opening van de Ringlijn wordt een nieuwe plattegrond van de metrolijnen geďntroduceerd. De uitvoering van de kaart is vergelijkbaar met die van de metro in London. De Gaasperplaslijn en de Geinlijn worden in het vervolg respectievelijk als lijn 53 en lijn 54 aangeduid. Zie hiervoor het kaartje Metronet 1997. Elke metrolijn krijgt zijn eigen kleur: metrolijn 50 groen, sneltramlijn 51 oranje, metrolijn 53 rood en metrolijn 54 geel.
Eind jaren negentig stellen Burgemeester & Wethouders van Amsterdam voor de Noord/Zuidlijn aan te leggen door een tunnel te boren tussen Amsterdam-Noord en Station Zuid/WTC. In de zomer van 2000 verschijnt de speciale brochure 'Alles over de nieuwe metrolijn voor Amsterdam', waarin wordt uitgelegd hoe Noord/Zuidlijn aangelegd gaat worden en waarom deze lijn nodig is.
In april 2000 besluit het GVB de Ringlijn geschikt te maken voor het LHB materieel in verband met de enorme toename van het aantal reizigers op deze lijn. Dit LHB materieel heeft een grotere capaciteit dan het CAF materieel. Het LHB materieel is echter 3,00 m breed en daardoor 35 cm breder dan het CAF materieel van de Ringlijn (en het BN materieel van de Amstelveenlijn). De perrons van alle stations tussen Henk Sneevlietweg en Isolatorweg worden daarom smaller gemaakt door er een strook van ongeveer 20 cm af te zagen.
Op 9 oktober 2002 besluit de gemeenteraad van Amsterdam definitief tot de aanleg van de Noord/Zuidlijn.
Op 13 september 2004 wordt de Amstelveenlijn verlengd naar Amstelveen Westwijk. Zie hiervoor het kaartje Metronet 2004.