Op 1 januari 1900 neemt de gemeente Amsterdam de 'Amsterdamse Omnibus Maatschappij' over. Dit particuliere bedrijf had vanaf 1875 de paardentram in Amsterdam geëxploiteerd. Ten tijde van de overname zijn zestien paardentramlijnen in bedrijf. Zie hiervoor het kaartje Tramnet 1900.
In de loop der jaren groeit het tramlijnennet mee met de uitbreidingen van de stad, eerst in westelijke richting en later in zuidelijke richting.
Zie hiervoor het kaartje Tramnet 1918.
Na een kortstondige en mislukte proef in 1908 begint de exploitatie van bussen in 1922 opnieuw.
De buslijnen krijgen geen nummers maar letters.
In 1928 organiseert Amsterdam de Olympische Spelen.
Dit heeft natuurlijk de nodige consequenties voor de tram- en buslijnen.
Zie hiervoor het kaartje Tram- en busnet 1928.
In 1931 bereikt het net zijn grootste exploitatieomvang.
Het bestaat dan uit 25 tramlijnen en enkele buslijnen.
Zie hiervoor het kaartje Tramnet 1931.
Onder invloed van de economische crisis werd in 1932 het tramnet belangrijk ingekrompen door de opheffing van de lijnen 12, 15, 20 en 21.
In de jaren daarna werd het tramnet weer enigszins op peil gebracht.
Zie hiervoor het kaartje Tram- en busnet 1938.
Tramlijn 19 wordt in 1938 vervangen door buslijn 19.
Dit is opmerkelijk omdat in die tijd buslijnen van letters waren voorzien in plaats van nummers.
In 1940 breekt de Tweede Wereldoorlog uit.
Als gevolg van de oorlogshandelingen worden in 1942 de lijnen 4, 6, 8 en 14 tijdelijk opgeheven.
Vanaf 9 oktober 1944 rijden er helemaal geen trams en bussen meer doordat de levering van elektriciteit wordt gestaakt.
Na de bevrijding komt het openbaar vervoer weer langzaam op gang.
Lijn 8 keert definitief niet meer terug.
Lijn 6 en 23 worden van 1945 tot 1958 alleen nog ingezet bij wedstrijden in het Olympisch Stadion.
Lijn 22 gaat weer rijden, maar dan als buslijn (die in 1951 wordt vernummerd in de legendarische lijn K.
Lijn 12 keert weer terug als vervanging van een deel van lijn 5.
Er verschijnt zelfs een nieuwe tramlijn 26, maar deze wordt in 1948 al weer opgeheven.
In 1948 verschijnt de tijdelijke tramlijn S op de oude route van lijn 25.
In 1949 wordt deze lijn weer opgeheven na terugkeer van buslijn E.
In de vijftiger en zestiger jaren loopt de belangstelling voor de tram als vervoermiddel terug.
Door de toenemende welvaart beschikken steeds meer Amsterdammers over een eigen auto.
Het verkeer loopt daardoor in de spitsen telkens vast.
Het tramverkeer heeft daar de nodige hinder van.
De tramlijnen 18, 11, 12, 17 en 5 worden in de periode tussen 1951 en 1965 vervangen door buslijnen.
Toch vinden er ook uitbreidingen van het tramnet plaats.
In 1954 wordt tramlijn 13 verlengd van het Bos en Lommerplein naar Slotermeer, één van de eerste nieuwe, westelijke tuinsteden in aanbouw.
In 1962 wordt tramlijn 17 verlengd van het Surinameplein naar Osdorp.
De oude lijn 17 wordt vernummerd in de nieuwe (spits)lijn 27.
Zie hiervoor het kaartje Tramnet 1970.
Tot aan het begin van de zeventiger jaren gebeurt er weinig met het tramnet.
Amsterdam groeit wederom in westelijke en zuidelijke richting aanzienlijk.
Ook in Amsterdam Noord zijn uitgebreide nieuwbouwlocaties.
Amsterdam Zuidoost is de grote uitbreiding van de jaren zeventig met de bouw van de Bijlmermeer, Gaasperdam en Gein.
Bovendien is voorzien dat in dit deel van Amsterdam een enorme concentratie van bedrijven en kantoren zal gaan komen.
De tram wordt inmiddels als verouderd beschouwd, ondanks de in dienststelling van het nieuwe, gelede materieel in 1957.
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam stellen in de zestiger jaren al voor om een gedeeltelijk ondergronds metronet aan te leggen en het tramnet langzaam af te bouwen.
In 1968 neemt de gemeenteraad van Amsterdam het principebesluit tot aanleg van een metronet, te beginnen met de Oostlijn naar Amsterdam Zuidoost.
Begin jaren zeventig wordt duidelijk dat de bouw van een compleet metronet wel eens lang zou kunnen gaan duren.
Het GVB publiceert in 1969 de nota 'Lijnen voor morgen', waarin gepleit wordt voor een reorganisatie van het tramnet, in afwachting van de metro.
Een belangrijk onderdeel van dit plan is de aanleg van vrije trambanen en voorrangsregelingen voor de tram bij stoplichten.
De gemeenteraad gaat akkoord met de voorstellen.
Als gevolg hiervan wordt in 1971 een nieuwe tramlijn 1 in dienst gesteld van het Centraal Station naar Osdorp via de Leidsestraat en de Overtoom.
De nieuwe lijn 1 is een rechtgetrokken combinatie van de oude lijnen 1 en 17 en zoveel als mogelijk op een geheel vrije baan.
Deze nieuwe lijn heeft de nodige consequenties.
Lijn 27 wordt weer opgeheven.
Lijn 17 eindigt weer op het Surinameplein.
Lijn 16 gaat naar het oude eindpunt van lijn 1 op het Stadionplein.
Het GVB krijgt tegelijkertijd een nieuwe huisstijl van geel en grijs én een nieuw logo (dat eigenlijk was ontworpen voor de metro).
In de jaren daarna verlengt het GVB diverse tramlijnen:
Ook neemt het GVB opnieuw tramlijnen in gebruik:
Vanaf het begin van de jaren negentig neemt het GVB geheel nieuwe (snel)tramlijnen in gebruik:
En soms worden lijnen ingekort:
Of zelfs opgeheven: